Van Dijk

In wezen was Van Dijk een hypochonder.
Hij keek, na lezing van het avondblad
altijd of hij de asbak leeggegeten had
en mompelde: ‘De wereld gaan ten onder.’

Hij geloofde niet in God, soms in Lijst Eén –
hij was een rooie rakker in zijn jeugd.
De meistoet deed hem toen nog innig deugd,
maar later wilde hij er niet meer heen.

Zo was Van Dijk, en toch een diep verlanger:
hoe stuurloos had hij Anna niet bemind.
Zij bleek een troel en uit haar enig kind
groeide met moeite een beperkt behanger.

‘Ziedaar,’ zo sprak Van Dijk, ‘dit is mijn lot.
Liefde bestaat niet, werk is misverstand
en ik heb me in een druiloor voortgeplant.’
Zo kwam hij na wat crisissen bij God.

‘Welja,’ riep God, ‘daar hebben we Van Dijk!
En wat verschaft ons nog zo laat de eer?’
Van Dijk sprak: ‘Ik zit voor het blok, o Heer,
en zou graag binnen in uw hemelrijk.’

‘Vooruit,’ zei God, ‘jij eigenwijze donder!’
Zo kwam hij toch neerslachtig op zijn wolk.
Maar als hij langsdrijft, zegt het hemelvolk:
‘Daar gaat Van Dijk, een echte hypochonder!’

Simon Carmiggelt  uit: Torren aan de Lijm

4 reacties op “Van Dijk

  1. Mijn tante Tini kon subliem voordragen. Haar koele spottende stem, haar heldere dictie en de hooghartige oogopslag pasten wonderwel bij dit gedicht. Ze heeft een stempel gedrukt op mijn voorliefde voor poëzie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.