sonnet 32 Cecco Angelieri

Des ochtends als mijn vrouw de wol uitstapt
en verveloos blijf hangen op het bedstel
dan is er nog geen tang en geen staketsel
dat naast haar niet op slag leek opgeknapt.

Het moois is van haar aanschijn afgepapt,
en ging ze dan niet gauw aan zwaar gemetsel
met zalfjes, verfjes, poeder en blanketsel,
dan blééf ze een nachtmerrie. Maar zo doortrapt

weet ze zich elke dag weer op te doffen
dat bij haar aanblik elke vreemde man
door levenslange liefde wordt getroffen.

En mij weet ze zo grondig af te stoffen
dat ik ook nergens meer aan denken kan
dan enkel nog aan haar. Dat noem je boffen.

Cecco  Angelieri         vertaling: Dolf Verspoor en Willem van Elden
uit: Rauw op het lijf

3 reacties op “sonnet 32 Cecco Angelieri

  1. He hallo Jack,

    Ja ik heb op je site gekeken en al het eerste gedicht dat ik tegenkwam vond ik erg grappig…….
    Ik ga nu kijken naar meer…..
    Een hartelijke groet,
    Nori

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.