Sneeuw

‘In mijn jeugd’, zei mijn oom,’waren de winters kouder en de zomers warmer.’ Hij was zestig, een kleine dikke man met een kaal hoofd. Als hij bij ons thuis was nam hij een deel van de encyclopedie. Dat las hij van het begin tot het einde. De woorden die hij niet kende herhaalde hij voor zich zelf, er van genietend dat hij zich ontwikkelde. Hij had alleen maar lagere school, maar hij was om de dooie dood niet dom. Met zijn broers had hij een groothandel in ijzerwaren. Hij heeft me nog het verschil tussen spijkers en draadnagels uitgelegd.

Maar dat van die winters geloofde ik niet tot ik het later opzocht in een almanak. Hij had gelijk. In de jaren negentig van de negentiende eeuw vielen de winters vaak al in November in. Tegen kerstmis schaatsten de Amsterdammers op de grachten. De karren trokken brede moddersporen in de besneeuwde straten.

Het zal dus niemand verbazen als ik vertel dat het ook in mijn jeugd meer sneeuwde dan nu. De oorlog had een gat in het klimaat geslagen waar het weer maar langzaam van herstelde.

Zo kwam het dat ik op Sinterklaasavond met mijn vader rondreed in een verlaten Hilversum om surprises rond te brengen bij vrienden. Het was halfzeven ‘s avonds. Stikdonker. De mensen zaten aan tafel. Wij brachten kippen. Mijn vader had ze van te voren gewikkeld in bruin pakpapier. Ik mocht telkens een kip voor de deur leggen, aanbellen en hard wegrennen naar de auto die een eindje verder geparkeerd stond. Het was een groot moment als ik weg spurtte en ik achter me merkte dat het licht van het voorportaal aanging, waarop dan verbaasde uitroepen volgden.

De sneeuw viel in dikke pakken uit de lucht. Op de straat lag een vracht wit waar de auto langzaam doorheen ploegde. Er was geen verkeer. De sombere 19e eeuwse panden aan de Geuzenweg vormden een donkere omlijsting. Het was geen Anton Pieck tafereel, het lag verder terug in de tijd.

En de vreugde van dit alles werd verhoogd doordat de rechter ruitenwisser kapot was gegaan. Daardoor bleef aan mijn kant van de voorruit de sneeuw plakken. Ik kon van de straat voor mij alleen maar een nauwe tunnel zien. De sneeuw had zich werkelijk opgestapeld. Hij sloot ons van alle kanten in.

Vele Sinterklaasavonden zijn voorbij gegaan, maar die ene avond in 1947 staat in mijn herinnering gegrift.

Mijn vader en ik: helemaal alleen in een besneeuwde wereld.