zwerversliefde

Van een vriendin kreeg ik het gedicht  zwerversliefde van A. Roland Holst toegestuurd. Ze had het voor mij uitgetypt en vroeg wat ik er van vond. Een groot deel van het werk van Roland Holst verscheen voor de tweede wereldoorlog.  De overbekende tekst op het oorlogsmonument op de dam, de nationale pik, is van hem. Het gedicht zwerversliefde heeft kwaliteit, maar ik haat het.Ik ga die haat die niets te maken(of toch?) heeft met een literair oordeel van me afschrijven,
De eerste twee coupletten luiden als volgt:

Laten we zacht zijn voor elkander, kind
Want o, de maatloze verlatenheden,
Die over onze moe gezworven leden
Onder de sterren waaie’ in de oude wind

O, laten wij maar zacht zijn en maar niet
Het trotse hoge woord van liefde spreken,
Want hoeveel harten moesten daarom breken
Onder de wind in hulpeloos verdriet.

Deze eerste regels zetten de toon. Hier is een man aan het woord die gevoosd heeft met een tientallen jaren jonger meisje. Hij hangt de oude wijze uit, die veel heeft meegemaakt. Dat doet hij in een archaiserende taal met zo’n irritant kommaatje achter waaie in plaats van gewoon een n en in gezwatel over de oude wind. Ik zie het jonge wicht in aanbidding de woorden van haar oude vlam indrinken. In het volgende couplet maakt hij het nog bonter:

Wij zijn maar als de blaren in de wind
Ritselend langs de zoom van oude wouden,

E,n alles is onzeker en hoe zouden
Wij weten wat alleen de wind weet, kind

Tja, dat laatste vraag ik me nou ook af.
In de volgende coupletten komt de aap uit de mouw. De oude zwerver is eenzaam en wil zich warmen aan een jong ding omdat hij tot nu toe niets uit zijn vrijpartijen gekregen heeft gekregen. Hij geeft zich zelf niet in het minst de schuld voor het verdriet dat dat hem en al zijn vorige partners opleverde. In plaats daarvan mompelt hij iets over de wind die zijn eigen mysterieuze wegen gaat, alsof zijn ervaring niets met zijn eigen gedrag te maken heeft. En tenslotte vraagt hij zijn huidge bedgenoot om ook niet al te moeilijk te doen.

E,n, laten wij omdat we samen eenzaam zijn
Nu onze hoofden tot elkander neigen,
En wijl wij same’ in ’t oude zwijgen
Binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

Veel liefde ging verloren in de wind
En wat de wind wil zullen wij nooit weten:
En daarom – voor wij elkander weer vergeten-
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

Ik weet het …ik ben een een echte bourgeois. Een van de nette burgers, die zo geminacht werden door onze kunstenaars uit de jaren vijftig en daarvoor. En ik spreek op mijn beurt mijn minachting voor hen uit omdat ze zulke volstrekt niets zeggende prietpraat voor wijsheid door lieten  gaan. Was Roland Holst nou een man die alleen maar een mes scherpe beschrijving van zo’n kunstenaarstype wilde geven dan had ik dit portret toegejuicht. Maar iets in me zegt dat hij zich zelf schetst. Ik zie hem langs het strand lopen, de wind waaiend in zijn grijze haren en onnoemelijk vanzichzelf vervuld.
Klik ter vergelijking het gedicht wijsheid uit Jij en Ik aan, waarin het heerlijk samenzijn van twee gelieven zo heel anders behandeld wordt.

Één reactie op “zwerversliefde

  1. Waarde bourgeoise,
    Als dit gedicht geschreven was door een bejaarde rokkenjager zou ik het helemaal met je eens zijn.
    Maar…… toen RH het schreef, was hij ongeveer dertig jaar. Hij is geboren is 1888 en het vers verscheen in een bundel in 1920. Waarschijnlijk is het dus al eerder geschreven.
    Het werd mij, zeventig jaar geleden, aangereikt voor mijn leraar Nederlands. Het trof door zijn wijsheid, die ik toen nog niet helemaal kon vatten.
    Nu boeit het me nog steeds; ik heb het allemaal beleefd.

    Je oordeel is overigens geen literair oordeel.
    Jouw oordeel gaat over de inhoud en niet over de vorm, die bijzonder fraai is.
    Jouw voorkeurgedicht “Wijsheid” is literair minder fraai (volgens mij), maar komt qua inhoud op hetzelfde neer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.